Loading...
Fascinaties2018-12-06T08:29:09+00:00

Dingen die mij bezig houden

De meermin van  Holland

Ook wel de Meermin van Holland, de Purmer zeemeermin, het Purmerzeewijf, het groene wijf, de meermin van Edam of de meermin van Haarlem genoemd.

Al zeshonderd jaar spartelt deze meermin door de Nederlandse cultuurgeschiedenis, dit bijzondere verhaal is nooit echt in de vergetelheid geraakt. In de Gouden Eeuw, toen het bestaan van creaturen als meerminnen heel serieus werd genomen, werd deze meermin graag aangevoerd als bewijs van de waarheid hiervan. Het verhaal ging tot in Duitsland en Frankrijk en zelfs in Amerika was deze meermin bekend. Door de eeuwen heen hebben gerespecteerde heren  over haar geschreven. De eerste was de prior van het Karmelieter klooster in Haarlem Joannes Gerbrandis a Leydis omstreeks 1470, die haar beschreef als een ‘indomita mulier’ (het oorspronkelijke verhaal is in het latijn geschreven). Hij had navolging van historici, natuurkundigen, filosofen, dokters en predikanten.

Rond 1448 werd in Nederland de boekdrukkunst uitgevonden (herontdekt), tussen 1500 en 1610 kwam die een beetje op gang maar in de Gouden Eeuw ging men pas echt in grotere oplagen drukken zodat het verhaal zich beter kon verspreiden. De wetenschap kwam opgang en Nederland opende in Leiden zijn eerste universiteit (1575). Maar vóór die tijd, omstreeks 1517, had Cornelis Aurelius, een vriend van Erasmus, aan het originele Latijnse verhaal al drie toevoegingen gedaan en rond 1550 schreef de humanist Hadrianus Junius, stadsgeneesheer van Haarlem en lijfarts van Willem van Oranje, uitgebreid over deze meermin. De verhalen worden steeds vermakelijker, bij de een zucht ze als een groen zeemonster en bij de ander huilt ze als een hond en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Rond 1620, in de Gouden Eeuw, ging het pas goed los: vele geletterde, zichzelf respecterende heren schreven over haar. En de een wist het nog beter dan de ander.  Vooral toen enkele Nederlandse natuurkundigen het verhaal toevoegden aan het beroemde boek van Plinius: Naturalis Historia.

Plinius de oudere leefde ± 70 n.chr. en was een beroemd romeinse natuurkundige. Zijn werk werd altijd, als het over het ontstaan van de wereld, ging als het standaardwerk gezien. In zijn boek heeft Plinius het in het vijfde deel over de vissen. Hier voert hij tritons, zeemeermannen en zeemeerminnen die met andere zeemonsters in de oceanen zouden leven ten tonele. Hier werd het verhaal van de meermin van Holland ingevoegd. Er zijn prachtige geïllustreerde versies van zijn werk uit de middeleeuwen. Toen in het begin van de gouden eeuw werd de meermin onder invloed van dit boek pas echt een zeemeermin. Zie illustratie. En dat zou voortduren tot de tijd van de ‘verlichting’. Na 1770 verscheen dit boek met deze zeemeermin niet meer. Wel stond het nog de hele achttiende eeuw achter in de Enkhuizer of Stichters Almanak. Hierna werd het verhaal alleen nog verteld als volksverhaal in allerlei sages. Het verhaal over deze zes eeuwen oude legende schetst een beeld van Nederland door de eeuwen heen en heeft alles te maken met Kunst, cultuurhistorie, vaderlandse geschiedenis, communicatie, literatuurgeschiedenis, de strijd van Nederland tegen het water en natuurhistorie.

Het beknopte, originele verhaal van de Meermin van Holland.

In 1403 spoelde er na een dijkdoorbraak een wild en ongetemd wijf uit de Zuiderzee het Purmermeer in. Geruime tijd verbleef ze daar ‘slapende ende wakende ende si sochte haer aes ende cost in die gront vant water’. Ze bleef heen en weer zwemmen maar kon de opening niet meer terugvinden, ze was gevangen. Twee melkmeisjes die ’s morgens vroeg de koeien gingen melken, hadden ‘dit wijf dicwils drivende ende swemmende’ gezien. Ze vingen haar en namen haar mee naar Edam. Daar werd ze uitgebreid gewassen want ze was ‘heel naect van lichaem, sonder clederen an te hebben’, maar behangen met een waterige materie, ‘slijm al ruych bewassen’. Ze werd gekleed en ze begon ‘onse spise te eten, mer nochtans was si altijt naerstich ende dair op uut om weder int water te wesen, mer si worde te seer nau bewaert’. Haar taal verstond men niet en ‘si verstont die onse niet’. Het gerucht verspreidde zich en uit vele vreemde landen kwam veel volk om dit wijf te zien. Toen de Regenten van Haarlem van haar bestaan hoorden, eisten ze haar op en moest ze uitgeleverd worden aan de hoofdstad. In Haarlem leerde ze spinnen en leefde daar nog een aantal jaren. Omdat ze ‘dicwils dat heylighe cruyce eer ende reverencie dede, worde si opt kerchof begraven’. Het eindigt met de nadrukkelijke mededeling dat dit verslag afkomstig is van zeer geachte en waarachtige oude mannen, die de vrouw in Haarlem met eigen ogen hebben gezien.

Bert Knispel: Al geruime tijd ben ik bezig een serie schilderijen over dit onderwerp te maken. Inmiddels zijn er zo’n zeven af. Een aantal zijn er te zien op deze site. Binnenkort volgen er meer.

Carel Fabritius

Carel Fabritius. Veelbelovend wonderkind of buitengewone pechvogel ?

Al vanaf mijn jongste jaren ben ik een groot bewonderaar van onze belangrijkste Nederlandse schilder Rembrandt. Als Beemsterling ben ik dan ook bovenmatig geïnteresseerd in Rembrandts ‘meest belovende’ leerling Carel Fabritius. Ook eenmaal inwoner van de Beemster. Deze Fabritius is jammer genoeg te jong gestorven, hij werd slechts 32 jaar en heeft in zijn leven ongelooflijk veel klappen opgelopen. Deze Fabritius kwam uit een gezin waarin z’n vader schilderde en ook zijn beide broers. Carel moet er al op zeer jonge leeftijd met kop en schouders boven uitgestoken hebben want in 1641 op 19 jarige leeftijd werd hij al leerling van Rembrandt. Hij heeft waarschijnlijk over een ongelofelijk talent beschikt dat Rembrandt moet hebben herkend. Een soort wonderkind dus. Hij moet meegewerkt hebben aan de Nachtwacht wat precies in die jaren tot stand kwam en was bevriend met Samuel van Hoogstraten waarmee hij samen met nog een flink aantal andere leerlingen in het atelier van Rembrandt werkte. Misschien heeft hij in die tijd wel een belangrijk aandeel in dit meesterwerk gehad. Rembrandt zat in die dagen in grote moeilijkheden zijn vrouw Saskia kwam te overlijden, bovendien verloor hij in korte tijd drie kinderen. Kunsthistorici beweren dat dit moment een ommekeer was in Rembrandts leven. Hij maakte in deze periode slechts 15 schilderijen terwijl hij hiervoor zeer actief was geweest. Hij ging veel naar veilingen, kocht werken van grote meesters en gaf veel geld uit. Hij verkocht zelfs werk van zijn leerlingen als werk van hemzelf. Wellicht noemde Fabritius Rembrandt daarom in een gedicht een geldwolf. Fabritius heeft ons slechts 15 schilderijen nagelaten. Maar met wat voor een kwaliteit. Hij moet een zeer grote invloed op Rembrandt hebben gehad, want als je naar werken als ‘De Opstanding van Lazarus’ kijkt denk je in eerste instantie met een Rembrandt van doen te hebben. Rembrandt heeft ook een schilderij van dit onderwerp gemaakt, maar dit schilderij is anders. Emotioneel, schitterend qua compositie en dramatische uitbeelding en wat me het meeste treft het schilderij is puur. Ontdaan van teveel. Het zindert van eenvoud. Christus is hier een gewone man. Wat mij echter het meeste boeit is dat Fabritus in staat is geweest het ultieme moment – tot op de milliseconde – waarop Lazarus opnieuw tot leven wordt gewekt, vast te leggen. Het exacte moment waarop er bij Lazarus weer bewustzijn aanwezig is. De toeschouwers zijn verbaasd je hoort ze bijna denken ”Wat gebeurt hier“? Het schilderij is gedateert 1643. Een jaar na de tot standkoming van de Nachtwacht. Het is een heel groot schilderij 210 x 140 cm met vele figuren. Dat schilder je niet zo even op een achternamiddag. En waar heeft hij dit schilderij in godsnaam geschilderd? Zijn ouders waren klein behuisd en woonden in een klein huis naast de kerk. In 1642 was zijn jonge vrouw gestorven bij de bevalling van een tweeling waarvan er ook een overlijdt. Fabritius is dan 21 jaar. In hetzelfde jaar 1643 verlaat hij Rembrandts atelier en keert terug naar Middenbeemster waar ook zijn tweede dochtertje Aeltje overlijdt. Het thema wederopstanding moet dus heel veel voor hem hebben betekent in deze bijzonder verdrietige tijden. In Middenbeemster heeft hij waarschijnlijk weer 7 jaar bij zijn ouders gewoond voor hij naar Delft vertrok. Zijn vader was schoolmeester, voorzanger en koster van de kerk. Middenbeemster bestond net 30 jaar. De familie Fabritius moeten zoiets als in deze tijd de eerste pioniers van de Flevopolder zijn geweest. Middenbeemster was nou niet bepaald het prototype van een bruisende stad. Maar lag waarschijnlijk wel op een doorvoerroute naar Hoorn en Enkhuizen gezien de smidse met travaille die daar aanwezig was en waar je je paard kon laten beslaan. De smidse met travaille is er nog altijd te zien.

Rembrandt

Frans Banningh Cocq

Frans Banningh Cocq werd door Rembrandt vereeuwigd op de Nachtwacht (man met de rode sjerp), was in 1654 burgemeester van Amsterdam en woonde o.a. in het beroemde huis de Dolfijn in Amsterdam.

De Nachtwacht is niet de naam die Rembrandt aan zijn beroemde schilderij gaf. En ook niet ‘Het korporaalschap van Willem van Ruytenburch en Frans Banning Cocq’ zoals vaak wordt gezegd. Volgens het dagboek van Frans Banningh Cocq heette het schilderij:

De jonge heer van Purmerlandt als capiteijn geeft opdracht aan zijn lieutenant de heer van Vlaardingen, om zijn compagnie burgers te doen marcheren.

En dat was hij dus, Heer van Purmerlandt.

Door zijn huwelijk met Maria Overlander werd hij Heer van Pumerlandt en Slot Ilpenstein, dat Volckert Overlander de vader van Maria had laten bouwen.

Hij behoorde ook tot de hoofdingelanden van de Purmer. Dat tussen 1618 en 1622 werd droog gelegd. Meer tekst volgt binnenkort

Samuel van Hoogstraaten

Samuel Van Hoogstraten, leerling van Rembrandt, schreef het boek: ‘Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt.’ Rembrandt overleed in oktober 1669. Samuel van Hoogstraten in oktober 1678. Dat is negen jaar later. Zo’n boek schrijven met alles erop en eraan: nalezen, corrigeren,zetten, drukken nam in die tijd zeker vier tot vijf jaar in beslag. En helemaal omdat het hier om een educatief boek gaat met vele prachtige illustraties. Als we aannemen dat het boek niet op zijn sterfbed is verschenen maar een jaar daarvoor, komen we als verschijningsdatum op 1677. Zodat we als uiterlijke ontstaansdatum kunnen stellen 1672. Het rampjaar. En drie jaar na het overlijden van Rembrandt. Hieruit mag je concluderen dat van Hoogstraten, tijdens diens leven, nooit kritiek op Rembrandt heeft geuit. In het boek staan nogal wat beweringen over Rembrandt die door kunsthistorici vaak worden aangehaald. Zo zegt hij over Carel Fabritius: Mijn vriend en medeleerling Fabritius stelde mij in onze jeugd de volgende vraag. Wat zijn de kwaliteiten waaraan je een jonge talentvolle schilder kunt herkennen? Ik antwoorde naar mijn begrip op die leeftijd: Dat hij niet doet alsof hij van kunst houdt, maar dat hij handelt als een minnaar van alles wat leeft in de schitterende natuur. Dat hij niet alleen bezig is met geld verdienen zoals iedereen doet, maar dat hij van binnenuit aan de essentie van de kunsten verslingerd is: En dat is de natuur in al haar hoedanigheden te onderzoeken. Hij heeft er de pest in als iemand iets weet dat hij niet weet. Hij houdt er niet van als iemand hem iets nadrukkelijk probeert te leren, maar steekt liever arbeid en energie om alles zelf uit te zoeken. Dit antwoorde ik indertijd, toen ik soms verdrietig door de manier van lesgeven van de meester mij zonder eten of drinken met tranen voedde en niet van mijn werk vertrok, voor ik het misprijzen van dat moment te boven was gekomen.

Samuel Van Hoogstraten maakte een aantal prachtige schilderijen. Een aantal zijn te zien in het Dordrechts museum

Johannes Vermeer

‘De schilder in zijn atelier’ of ‘De schilderkunst’ of ‘Allegorie op de schilderkunst’ van Johannes Vermeer.

Tekst volgt

Jacoba van Beieren

Jacoba van Beieren leefde een turbulent leven vol spanning en intriges. Op 5-jarige leeftijd was ze al verloofd met Jean de la Touraine, de 2e troonopvolger van Frankrijk en toen ze net 14 jaar was, trouwden ze. Toen Jean in 1415 kroonprins van Frankrijk was geworden, zagen haar vader graaf Willem VI en Jan zonder Vrees een kans om hun invloed in Frankrijk te vergroten. De Franse koning was krankzinnig verklaard en dit was een mooi moment om de man van Jacoba te helpen om regent van het land te worden. Maar haar man Jean overleed plotseling in 1417, vermoedelijk door vergiftiging, en een maand later stierf haar vader aan de gevolgen van een hondenbeet. Jacoba volgde hem nu op als gravin van Holland, Zeeland, Henegouwen en Friesland. De graaf, die eerst wilde dat zijn dochter zou hertrouwen met Kabeljauw Willem van Arkel – om zo een eind aan de twisten te maken – veranderde op zijn sterfbed ineens van mening en besliste dat Jacoba met Jan IV, hertog van Brabant moest trouwen.

Vier maanden na de dood van Jean de la Touraine verloofden ze zich en zonder toestemming van haar voogden Jan van Beieren en Jan zonder Vrees, werd het huwelijk een jaar later voltrokken. Omdat Jan IV een volle neef van Jacoba was, kregen ze dispensatie van de paus maar onder druk van de Duitse keizer Sigismund, trok hij die twee weken later weer in. Het was een misser. Oom Jan van Beieren was woedend. Hij was door dit huwelijk buiten spel gezet, want zijn voogdijschap ging nu over op haar echtgenoot, die ook nog eens een laf, verraderlijke en onbetrouwbaar sujet bleek te zijn en zelfs grondgebied van zijn vrouw aan haar nu openlijke vijand oom Jan van Beieren verpandde. De Hoekse en kabeljauwse twisten laaiden weer op. blz. 310 Het bezoek aan meester Enghelbrecht over een onderkomen voor de zeemeermin, had de graaf als positief ervaren. Zijn oom Willem V was getrouwd met Mathilda van Lancester – een volle nicht van de Engelse Koning Edward III – en daarom kwam hij als kind wel in het graafschap Somerset in het westen van Engeland. Met oom en tante was hij een keer naar de thermen in Bath geweest en de Romeinse sfeer van de baden had grote indruk op hem gemaakt. Zou het mogelijk zijn om zoiets ook voor hem te blz. 95 Op het veld van eer van de Engelse cavaleristen bleef ook de hertog van York – Edward van Norwich, kleinzoon van Edward III van Engeland. Deze adellijke heer mocht in zijn vaderland begraven worden, daarom werd zijn lichaam gekookt en zijn gebeente opgeslagen. Dit was de meest hygiënische manier om hem te verschepen en hij nam zo ook niet al teveel ruimte in. Blz. 214 Pas in 1421 liet Jacoba het huwelijk met Jan van Brabant, na een hooglopende echtelijke ruzie, ongeldig verklaren en een jaar later kreeg ze dispensatie van de paus om te scheiden. Kort daarop trouwde ze met Humphrey of Glouchester, de broer van de Engelse koning Hendrik V, maar de Zeeuwse en Hollandse steden erkenden dit huwelijk niet, voor hen bleef Jan van Brabant haar man. Tijdens de afwezigheid van Jan IV verwoestte Humphrey uit boosheid Brabant. Omdat Humphrey zich beledigd voelde – Philips van Bourgondië was woest – daagde hij Philips uit voor een duel, die dit accepteerde maar op de vooravond van het duel vluchtte Humphrey naar Engeland en liet Jacoba in de steek. Philips had nu vrij spel. Hij veroverde de stad Bergen in Henegouwen, nam Jacoba gevangen, bracht haar naar Gent en zo kwam Henegouwen onder gezag van Jan van Brabant. Terug aan het Engelse Hof probeerde Humphrey Jacoba nog wel te helpen maar Philips wilde haar liever dood hebben. Met behulp van de edellieden Spiering, Aalburg en haar kamenier wist ze te ontsnappen door zich te verkleden in mannenkleren. In 1425 liet Humphrey van Glouchester Jacoba opnieuw in de steek voor een hofdame, maar hun huwelijk was toch al onwettig verklaard nadat de paus zijn toestemming voor de scheiding van Jan van Brabant had ingetrokken.

Kort daarop overleed Jan IV van Brabant.  Ze had alleen nog maar de titel van gravin en ze mocht niet meer hertrouwen zonder de toestemming van Philips. Hierdoor kwamen alle graafschappen nu definitief onder Philips van Bourgondië. De Kabeljauwse edelman en stadhouder Frank van Borssele kreeg opdracht om Jacoba in de gaten te houden. Ze raakten bevriend en in 1432 trouwden ze in het geheim. Blz. 311 . De machtige keizer Sigismund stond achter Jan van Beieren die zich aansloot bij de Kabeljauwse aanvoerder Willem van Arkel. Een felle strijd ontstond en tijdens de verovering door Jacoba van Gorcum sneuvelden Willem van Arkel – ze had heel graag met hem willen trouwen – maar ook haar grote vertrouweling Walraven van Brederode werd daar gedood door een slag met een bijl op zijn hoofd.

W.O.J. Nieuwenkamp.Artistieke Duizendpoot

Nieuwenkamp in gebouw Petersburch in Edam.

Het gebouw is het voormalige regionale hoofdpostkantoor en is gebouwd in neo renaissance-stijl met zandstenen banen en een echte toren. In 1889 werd het gebouwd door rijksbouwmeester Peeters, o.a. architect van het hoofdpostkantoor van Amsterdam, het tegenwoordige Magna Plaza aan de Spuistraat in Amsterdam. Peeters was een leerling van P.J.H. Cuypers, de architect van het Rijksmuseum en het Centraal Station van Amsterdam. Het gebouw is totaal gerenoveerd en ademt ook van binnen de sfeer van de tijd van W.O.J. Nieuwenkamp: er zijn bijvoorbeeld stijlkamers in neo renaissance-, Art Nouveau- en Art Decostijl, acht schouwen en prachtige tegeltableaus w.o. Rozenburgplateel en schitterende lampen.

Op de benedenverdieping is een zaal ingericht met replica’s van muurschilderingen van Nieuwenkamp, afkomstig uit het gebouw van de voomalige handelsmaatschappij aan de Nieuwezijds in Amsterdam. Omdat dit gebouw niet voor publiek toegankelijk is, is dit prachtige werk door maar weinig mensen te zien.  W.O.J. Nieuwenkamp – Artistieke Duizendpoot W.O.J. Nieuwenkamp (1874-1950) was niet alleen een veelzijdig kunstenaar, hij was nog veel meer. Naast graficus en kunstschilder was hij ook architect, schrijver, scheepsbouwer, ontdekkingsreiziger, kunstverzamelaar en etnograaf. Hij heeft heel veel werk nagelaten en neemt dan ook een belangrijke plaats in onder de kunstenaars en de beeldende kunst rond 1900. Met name in zijn grafische ornamentele werk is er duidelijk een relatie te zien met de Art Nouveau- en Art Deco-stijl, maar ook de invloed van Jan Toorop, die zelfs een portret van Nieuwenkamp maakte, is merkbaar. In zijn latere schilderijen is ook de invloed van Vincent van Gogh aanwezig. Toch is zijn werk uniek en altijd herkenbaar. W.O.J. Nieuwenkamp was een eigenzinnig mens. Hij trok zich van niets en niemand iets aan, werkte keihard maar ging altijd consequent zijn eigen gang. Hij heeft zo’n 17 jaar in Edam gewoond en gewerkt, waarvan nog veel sporen te vinden zijn en vertrok toen naar Italië. Na vier jaar rondzwerven vestigde hij zich in Fiesole bij Florence.

Scheepsbouwer. Na zijn eerste reis naar Indië in 1898 kon Nieuwenkamp geen rust meer vinden. Hij ontwierp een woonboot, iets dat in die tijd nog niet echt bestond en ging ‘op kamers’ bij de scheepswerf om mee te werken aan de bouw en de begeleiding daarvan. Op zijn eerste proefvaart naar Edam had hij nogal wat bekijks: er was geen voor- en achterkant aan ‘De Zwerver’, alleen een woongedeelte, want Nieuwenkamp wilde eerst bekijken of wonen op het water wel een haalbaar idee was. Het beviel schijnbaar goed want na terugkeer op de werf werd het schip voltooid, een atelier ingericht voor zijn etspers en begon het reizen met zijn gezin door de kanalen en rivieren van Nederland, België en Duitsland. De bijzondere woonark, met zijn met veel houtsnijwerk versierde 17e eeuwse interieur, werd meestal getrokken door een sleepboot, een trekpaard of geboomd, want een motor had ‘De Zwerver’ niet. Aan boord hield Nieuwenkamp tentoonstellingen en in elke stad werd aangelegd om mensen de gelegenheid te geven zijn varende huis te bekijken en om zijn etsen en houtsneden van stad en land te bewonderen én te kopen.

Graficus. Etsen en houtsnijden leerde Nieuwenkamp van J.G. Veltheer (1866-1954) en J.M. Graadt van Roggen (1867-1959). Hij werd er zeer bedreven in en zijn etsen en houtsneden werden alom geprezen om hun hoge kwaliteit. Vóór de 2e Wereldoorlog was hij dan ook een bekend graficus in en buiten Nederland. De verschillende mogelijkheden die de etstechniek biedt, wist Nieuwenkamp ten volle te benutten waarvoor hij door vakgenoten dan ook zeer gerespecteerd werd. Zijn grafiek werd meerdere malen bekroond. Ook was hij goed thuis in de lithografie. Hij maakte verscheidene boeken, waarvan het succesvolle ‘Bali en Lombok’, het eerste standaardwerk over inheemse kunst en cultuur van Bali, geheel op zijn schip ‘De Zwerver’ gedrukt en uitgegeven werd. Hij ontwierp stijlvolle prenten, ex-libris, eigen beginkapitalen, vignetten en randversieringen voor zijn boeken en publiceerde ook veel in tijdschriften. Kunstschilder. Was Nieuwenkamp het eerste gedeelte van zijn leven voornamelijk graficus, later ontplooide hij zich tot een kunstschilder met een geheel eigen stijl. Hij was van mening dat je je niet moest wagen aan het werken met (olie)verf voordat je goed kon tekenen. Hij heeft zich de techniek op latere leeftijd eigen gemaakt, waarbij hij veel experimenteerde en nogal wat vernietigde omdat hij het niet goed genoeg vond. Dat kwam ook omdat hij later pas ontdekte dat een olieverfschilderij, in tegenstelling tot werk op papier, makkelijk te wijzigen is. Op zijn eerste expositie in Nederland in 1934 bij Van Lier in Amsterdam was men zeer verbaasd want ook als kunstschilder was het niet mogelijk om Nieuwenkamp in een hokje te plaatsen. Hij heeft ook tentoonstellingen gehad in het Stedelijk Museum Amsterdam, het Frans Halsmuseum en het Louvre.

Ontdekkingsreiziger. Nieuwenkamp maakte veel reizen o.a. naar Indië, India en Egypte. Hij had de schoonheid van de inheemse cultuur van Indië ontdekt en maakte er veel schetsen en tekeningen. Uit Holland nam hij een fiets mee en reed daarop op Bali rond, wat niet makkelijk kan zijn geweest want er waren nog geen verharde wegen. De lokale bevolking vond de blanke man in tropenuitrusting, die zich op de fiets met carbidlamp geluidloos voortbewoog, heel bijzonder. Want niet alleen hadden ze nooit een fiets gezien, ook blanken waren toen op Bali zéér zeldzaam. Als hij in de avondschemering langs de noordkust reed met verlichting aan, dacht men dat hij een boodschapper was van één van hun goden die op de vulkaan huisde. Zo heeft men Nieuwenkamp afgebeeld in een stenen reliëf, dat nu nog te zien is op Bali.

Etnograaf. In de tijd dat de fotografie en film nog in de kinderschoenen stonden, legde Nieuwenkamp veel wonderlijke gebruiken en zaken van vreemde culturen voor het nageslacht vast. Veel van die culturen zijn inmiddels verdwenen. Vanaf het eerste moment hield hij van die paradijselijke, onbedorven wereld, de bewoners ervan en van hun rijke cultuur. Hij verkende onbekende gebieden te voet, te paard, per fiets, per karretje, met dragers en een tolk en later met vrienden of relaties met een auto. Omdat veel van wat hij tekende in Europa geheel onbekend was, moest er uitleg komen in de vorm van geschrift. Hij schreef veel boeken en artikelen. Talloos zijn de teruggevonden reisfragmenten, manuscripten, dagboekaantekeningen en dergelijke want er was door anderen nog nauwelijks iets opgetekend, dus álle informatie moest verzameld worden. En altijd waren zijn geschriften door hem geïllustreerd.

Architect. Nieuwenkamp liet ook veel bouwkundige sporen na. In Edam ontwierp hij een huis en atelier. Door oude en nieuwe materialen door elkaar te gebruiken heeft hij Edam aan een aantal curieuze bouwsels geholpen. De bouwstijl klopte misschien nog wel maar hij had er geen problemen mee om gevelstenen en sloophout, die hij mooi vond maar er eigenlijk niet in pasten, gewoon te gebruiken. Ook ontwierp hij boerderijen en een uitzichttoren in het Buurtbos in Lunteren, dat door zijn schoonvader, notaris Wilbrink aan de plaatselijke gemeenschap is geschonken. In Toscane restaureerde en verfraaide hij een palazzo, villa ‘Riposo dei Vescovi’, vroeger gebruikt als rustplaats voor bisschoppen op doorreis. Ook dit gebouw restaureerde hij op zijn, wel aan Italië aangepaste maar verder geheel eigen manier en drukte daarmee zijn stempel op dit prachtige huis, dat daarna genoemd werd: villa Nieuwenkamp. De enorm grote, typisch Toscaanse tuin met zestien fonteinen, een hobby van Nieuwenkamp, is een kunstobject op zichzelf. Tegenwoordig wordt de tuin bezocht door mensen op excursie.

Schrijver. Nieuwenkamp heeft een flink aantal boeken geschreven en die natuurlijk altijd zelf geïllustreerd. Van zijn belangrijke werk ‘Bali en Lombok’ gaf uitgeverij Elsevier in 1910 een verkleinde versie uit, die omgewerkt en herdrukt werd in 1922. Het Handelsblad publiceerde brieven over zijn zwerftochten door Bali. Het is ondoenlijk om al zijn publicaties hier te noemen. Over alle voor hem boeiende onderwerpen schreef hij en dat waren er veel, bijv. ‘Mijn Huis op het Water, mijn Huis op het Land’ in twee delen over zijn huizen in Edam en zijn woonschip. Het boek ‘Een Florentijnse Villa’ over zijn huis in Toscane werd herdrukt als ‘Het Huis op den Heuvel’. Veel artikelen zijn er ondertussen geschreven in bladen en tijdschriften over de persoon W.O.J. Nieuwenkamp en zijn boeiende leven.

Kunstverzamelaar. In 1903 had Nieuwenkamp opdrachten op zak om kunstvoorwerpen en foto’s voor musea, de ‘Vereeniging voor Aziatische Kunst’ en voor particulieren aan te kopen. Door zijn scherpe, geoefende blik groeide hij uit tot een expert op het gebied van de inheemse kunst en zijn privécollectie groeide door de jaren heen mee. Hij had speciale belangstelling voor een bijzondere weefkunst, de in enkele dorpen op Bali gemaakte dubbele ikattechniek, maar ook voor houtsnijwerk, beeldhouwkunst en architectuur. In Italië vond hij Etruskisch aardewerk dat hij inmetselde in de muren van zijn villa. In veel musea zijn door hem verzamelde kunstwerken ondergebracht, zoals in het Tropenmuseum, het Volkenkundig Museum in Leiden en het Rijksmuseum in Amsterdam.

Arnout Vosmaer

Bestaan zeemeerminnen nu wel of niet?

Aernout Vosmaer, kenner van de natuur, zocht uit hoe het zat.

In de achttiende eeuw bezat elk zich respecterend vorstenhuis een natuur-historisch kabinet, waarin een zeemeermin niet mocht ontbreken. Aernout Vosmaer (1720-1799) was directeur van het in die tijd beroemde natuur-historische kabinet van ZKH de Prins van Oranje-Nassau, Stadhouder Willem V (1748-1806) en beheerde de eerste dierentuin van Nederland: Het Kleine Loo in Voorburg bij Den Haag. Hij was aangesteld door de moeder van Willem V, Anna van Hannover. Ook Vosmaer had een ’echte’ meermin in zijn kabinet. Hij had bijzondere faam als natuurkenner en schreef een voorwoord over het Boeronese Zeewijf, een zeemeermin die bij Borneo gevangen zou zijn. In die tijd geloofde hij er dus nog in, later begon hij onder invloed van ’het verlichte denken’ toch te twijfelen.

Vosmaer deed natuur-historisch onderzoek naar de Meermin van Holland en schreef hierover een uitgebreide verhandeling voor de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Hij kwam tot de conclusie dat het een wilde watervrouw moest zijn die zich had aangepast aan de natuur en bijzonder goed kon zwemmen. Hij dacht dat ze wel een uur onder water kon blijven. Om te bewijzen dat dit niet onmogelijk was, haalde hij Jan Adriaensz Leeghwater (1575-1650) aan, die met zijn ‘onderwater-konsten’ een uur onder water kon blijven. Leeghwater vertoonde zijn ‘onderwaterkonsten’, samen met anderen voor de ogen van de Stadhouders Maurits en Frederik Hendrik. Omdat ze in de tachtigjarige oorlog in strijd waren met de Spanjaarden waren de Stadhouders zeer geïnteresseerd. Leeghwater presteerde het om één uur onder water te blijven terwijl hij drie peren at, op zijn schalmei speelde én een boek las. Na een uur kwam hij weer boven water met drie klokhuizen, het boek en de schalmei. Hij heeft hiervoor octrooi aangevraagd en gekregen. Er wordt wel beweerd dat Leeghwater een van de uitvinders was van de duikerklok,maar wat hij precies onder water deed blijft onbekend.

Bekend van Vosmaer is ook dat hij op zijn zolder in Den Haag een orang-oetang in observatie hield, de eerste orang-oetang die ooit levend Europa bereikte. Thuis had hij meer tijd om dit bijzondere dier te observeren dan in de dierentuin. Om onderzoek te doen naar de aapachtige oorsprong van de mens, leerde hij het dier eten met lepel en vork. Hij schreef verscheidene boeken, o.a. Regnum Animale, ‘Een natuurkundige beschrijving Eener Uitmuntende Verzameling van Zeldzame gedierten.’ Ook schreef hij verhandelingen, bijv. over de Quagga of Kaapse ezel – de kruising tussen een ezel en een paard – en over de Surinaamse bosduivel. Er is een edelpapegaai naar Vosmaer vernoemd: de Eclectus Roratus Vosmaeri.

Aernout Vosmaer wilde precies weten hoe het zat met die meermin en ging op onderzoek uit in Haarlem. Wat wisten ze daar in de 18e eeuw nog van haar? De tijd van de vangst (1403) was wel heel lang geleden, in de tijd van Vosmaer zo’n 350 jaar. In transportakten uit 1682, 1709 en 1724 heette het 4e huis aan de westzijde ”De Meermin” maar in 1646 was de naam: ” ‘s-Hertogenbosch”. Hoe zat dat nou precies? Volgens Vosmaer bleek bij navraag bij de plaatselijke bevolking dat er al eeuwen een bakkerij in het pand was gevestigd, die altijd ”De Meermin” had geheten en dat er heel lang geleden een broodbakkersvrouw in had gewoond de weduwe F. Wieneke, zij zou de meermin spinnen hebben geleerd. De stijl van het pand zoals het er nu uitziet, lijkt een beetje op het werk van de bekende Haarlemse bouwmeester Lieven de Key (ca 1560 – 1627) 150 jaar voordat Vosmaer aan zijn onderzoek begon. Maar dit pand ziet er uit als negentiende eeuws en nog niet zo lang geleden gerestaureerd. Er zijn overigens nauwelijks panden uit de late middeleeuwen meer te vinden in Haarlem. Een daarvan, de bekende Amsterdammer of Haarlemmerpoort is van 1365 en dan is er ook nog de Waag. Volgens Aernout Vosmaer moet de meermin gewoond moet hebben in Haarlem, in ‘het gat’ van de Grote Houtstraat. Het 4e huis vanaf de hoek was de bakkerij, van oudsher genaamd ”de Meermin”. Er hing vroeger een uithangbord met de tekst ’De Meermin’. Ten tijde van Vosmaer was er de bakkerij in gevestigd van J. Hittert, meesterbroodbakker. In het pand zit een glas-in-loodraam met een bakkertje maar dat is van latere datum.

Afbeeldingen volgen nog

Bijschriften:

Het natuur-historisch kabinet van de Stadhouder met daarnaast het stadhouderlijk kwartier in Den Haag Het Boeronese Zeewijf.

Eerste pagina uit Vosmaers Regnum Animale (Het Rijk der dieren)

Stadhouder Willem V

Click edit button to change this text.

De Dodo

Lelijk eendje of dartel duifje? Hoe zag de dodo er precies uit? Eigenlijk weten we het niet. En dat maakt het beestje nog eens extra aantrekkelijk. Door gebrek aan een 100 % natuurgetrouwe afbeelding kunnen we alleen maar naar zijn uiterlijk gissen en er vrolijk op los fantaseren. Hoe lelijker dus hoe mooier. En hoe mooier hoe lelijker. Uit de zeventiende eeuw zijn alleen een aantal losse elementen van de dodo bewaard gebleven. Een snavel en een kop heb ik ergens eens gelezen. Onlangs werd er op het eiland Mauritius een compleet skelet van een dodo gevonden. Had 100 jaar ergens op een stoffige zolder in een museum gestaan en was eerder, in 1906, ontdekt door een kapper, een zekere Etienne Thirioux. Deze coiffeur construeerde uit de botten van verschillende vogels nog een tweede dodo skelet. Dus hoe betrouwbaar is het onderzoek naar het dodo-uiterlijk van deze ‘semi-wetenschapper’ op een eiland in de Stille oceaan 1800 km ten oosten van het vasteland van Afrika?

Boudewijn Büch wist er alles van. Hij had op Mauritius van de plaatselijke museumdirecteur een botje van een dodo gekregen, keurig opgebonden, in een fraai houten vitrinekastje. Compleet met ‘With complimentskaartje’ van de directeur. Het bleek slechts een duivenbotje te zijn. Toch was hij er behoorlijk verguld mee en wat wil je ook als je zo’n verhaal er gratis bij krijgt ‘wat een cadeautje’. Lees het maar na in het boek ‘Herkomst Büch’ van Bert Sliggers voormalig conservator van het Teylinger museum in Haarlem.

Er wordt beweerd dat de dodo slechts een ei per jaar legde maar ook dat kunnen we naar het rijk der fabelen verwijzen. We weten het gewoon niet. Het East-London Museum in ‘Oos Londen’ Zuid Afrika heeft in haar depot naar verluid nog een echt dodo-ei. Het echte ei is overigens niet te zien, er wordt alleen een replica tentoongesteld. Ja, kijk, zo kan ik het ook. Voor mij dus een extra reden om ook maar eens een duit in het zakje te doen en het schilderij ‘nestje jonge dodo’s’ te maken. Nieuw leven voor een uitgestorven vogel. Met meerdere jonge vogels en dus de vruchten van meerdere eieren in één nest. Nieuw leven voor de dodo, wat zou het toch mooi zijn als dat mogelijk zou zijn. Kunnen we ons eindelijk verwonderen over zijn merkwaardige verschijningsvorm. De wens blijft echter de vader van de gedachte, alhoewel… er wordt nog steeds onderzoek naar de dodo gedaan en eigenlijk hoop ik stiekem dat ze er nooit uitkomen. Want wat is er nu heerlijker om je fantasie op het thema ‘dodo’ los te laten. En wat heeft ons dat niet een prachtige serie beelden opgeleverd.

In het natuurhistorisch kabinet van onze expositie ’De mysterieuze meermin van Edam’ mocht een dodo ook niet ontbreken. We hebben er een laten maken door Mieneke van Gogh een fantastische ‘modelmaker’. Onze dodo stond aan een tafel bij Aernout Vosmaer, Kenner der natuur. Hierbij een afbeelding van de ‘reuzenduif’ uit onze expositie. Lees meer over Aernout Vosmaer op deze blog

Vaderlandse geschiedenis

Click edit button to change this text.